| TEKSTFRAGMENTEN
1
In het begin der dingen. Helemaal in het begin; in de tijd
waarin nog niets bestaat.
Met niets bedoel ik ook echt niets. Er zijn geen dieren,
geen planten, geen hemel,er is geen aarde. In dat niets,
in dat lege begin, maakt de Grote Onzichtbare het land van
Aket Akpan. Maar alleen een land, dat is eigenlijk ook niets,
dat is en blijft leeg. Er moet meer komen. Er moet leven
zijn, denkt de Grote Onzichtbare. Daarom maakt hij: Hemel
en Aarde; Maan en Sterren; Dieren en Planten. Alles!
Alles? Nou ja bijna alles, hij vindt het nog steeds te leeg.
Alle dingen moeten een meester hebben, denkt hij. Een baas,
want ik kan nooit overal tegelijk zijn. Ik kan nooit op hetzelfde
ogenblik op alles letten. Ik maak iets dat op mij lijkt.
Het lijkt op mij, maar het is zichtbaar; je kunt het aanraken.
En zo schept de Grote Onzichtbare de Mens: de Man en de Vrouw,
de Vader en de Moeder.
“
Ik geef ze kracht, macht en schoonheid”, zegt hij. “Ik
laat ze kinderen krijgen, zodat ze steeds zelf voor nieuw
leven kunnen zorgen. En dat nieuwe leven zal er altijd zijn
om voor dit land, voor deze wereld, te zorgen, want dat is
de bedoeling van het leven. Dit wordt de bestemming van de
Mens. Ik laat ze heersen over alles dat ik gemaakt heb. Hier
in dit land kunnen ze in vrede en liefde wonen, zolang de
Agaat op de bron van Ilorin staat”. Hij schudt de zwarte
edelsteen uit zijn mouw en plaatst hem op de bron; de plek
waar de belangrijkste rivier van Aket Akpan ontspringt.
2
De koning is gelukkig. Hij heeft een mooie vrouw getrouwd. Ze hebben een knappe
zoon, die voortreffelijk piano speelt. Een echte prins. En zo hebben ze hem ook
genoemd bij zijn geboorte.
Er worden drie kanonskogels afgeschoten: Boem, boem, boem. “Lang leven
Echte Prins!”, roept de officiële omroeper van de stad. De mensen
juichen, heel Aket Akpan viert drie weken feest.
Nu zeventien jaar later is het opnieuw tijd voor een groot feest, Echte Prins
gaat zich verloven met prinses Kathinka van Europa.(…)
3
Eén man is niet blij met de komende feestvreugde. Die man is tovenaar
Tabora, de rechterhand en raadsheer van de koning van Aket Akpan. Hij is de enige
man in Aket Akpan, de enige mens zelfs, die niet lacht.(…)
Hij vloekt, scheldt en tiert dat het een lieve lust is. “Aaaaahhhhhh!!!” Alles
en iedereen, die hem per ongeluk voor de voeten loopt, krijgt een enorme rotschop.
Toevallig is het net Ibadan, de lievelingskat van Echte Prins.
“
Miauw”, zegt Ibadan. “Wat denkt die gekke tovenaar wel? Ik ben een
koninklijke kat. Ik ben het lievelingsdier van Echte Prins. Wacht maar, later
als ik echt groot ben, krabbel ik die tovenaar flink over zijn neus!”
Ibadan is beledigd, tot in het diepst van zijn kattenziel. Hij kruipt de koninklijke
schatkist in, nestelt zich onder een zijden sjaal, lekker bovenop het goud en
de edelstenen.(…)Straks trouwt het mooiste en liefste meisje van de wereld
met die, die Echte Prins, zegt Tabora. Echte Prins, ik vind er niets echts aan.
Voor mij is hij een Onechte Prins! Oh, Kathinka wat heeft hij, dat ik niet heb?” (…)
Hij bedenkt een gemeen plan. “Als ik haar niet krijg, zal niemand haar
hebben. Kracht, macht en schoonheid. Vrede en liefde. Vrede en liefde, hè.
Mmmnnn, vrede en liefde, zolang de Agaat op de bron van Ilorin staat. Dit wordt
een opdracht voor Tormalijn de Verschrikkelijke”.
4
“
Hé Tormalijn”, roept Sjako de scheepsjongen. “De groene glazen
vis van tovenaar Tabora zwemt in de baai. Hij heeft een boodschap voor je”.
“
Meneer Tormalijn de Verschrikkelijke, ben ik voor jou of anders, Kapitein Roverhoofdmanpiraat
Tormalijn de Verschrikkelijke. Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen domkop! Nog
een keer en ik laat je kielhalen!”
“
Aai, aai, meneer… de Kapitein, Roverhoofdmanpiraat, Tormalijn de Verschrikkelijke”,
stamelt Sjako. “Hier is het bericht”. Hij overhandigt de groene glazen
vis en maakt dat hij weg komt.(…)
5
“
Let op mannen, alle zeilen bijzetten, roeien met de riemen die je hebt. Iedereen
in beweging, op de maat: een, twee, een, twee. Een, twee, een, twee. We zijn
rijk mannen. We hebben de steen Ën de schatkist! Nu zorgen we dat we zo
snel mogelijk buiten de wateren van Aket Akpan komen. Als tovenaar Tabora er
achter komt zijn we nog niet jarig.
6
Ibadan is zeeziek. “Miauw, miauw”. Wat een ellende, hij zit op het
zeeroversschip van Tormalijn de Verschrikkelijke. Verschrikkelijk, wat een ramp.
Mmmnnnbah, denkt Ibadan, eerst lig ik lekker te slapen in de schatkist. Lekker
op mijn favoriete plek, warmpjes, knus, tussen al het goud, de edelstenen, onder
de zijden sjaal van Echte Prins. En dan opeens zit ik hier, kotsmisselijk, op
een schip, nog steeds in de kist, maar wel opgesloten.
Zijn ogen zijn inmiddels aan het donker gewend. Hij kijkt extra goed om zich
heen, op zoek naar iets om de deksel mee open te wrikken… Ongelooflijk,
op nog geen vijftien centimeter afstand, vlak voor zijn neus, ligt de Agaat.
De Agaat van Aket Akpan. Aket Akpan, het land waar je alleen in vrede en liefde
woont, zolang de Agaat op de bron van Ilorin staat.
7
“
Prins Lenig Hert van Amerika, ik ben blij dat je gekomen bent”, zegt koning
Jacob de Grote van Europa. Hartelijk omhelst hij zijn vriend. “Er is iets
ernstig mis in het land van Aket Akpan, dat heb jij toch ook gevoeld? De aarde
schudt, schokt, beeft en braakt gloeiende stukken steen. Het continent begint
te scheuren, we schuiven uit elkaar”.(…)
Opnieuw spreekt Tabora een duistere spreuk. Prins Lenig Hert van Amerika en koning
Jacob de Grote van Europa voelen hun tenen wortel schieten. Hun armen en benen
verstijven, worden overdekt met een dikke laag boomschors. Takjes en blaadjes
groeien uit hun hoofd en oren.
8
“
Vrouw”, zegt strandjutter Jobbe Tjallinga. “Ik ga. De maan is lekker
vol, dus nu kan ik tenminste zien wat ik jut”.
“
Een fijn plan Jobbe”, antwoordt zijn vrouw. “ Ik hoop dat je bruikbare
spullen vindt.(…)
De nacht is helder, zacht, Jobbe voelt dat hij vanavond geluk heeft.(…)
Hij beklimt een duinpan, kijkt naar de zandvlakte onder hem. Het hele strand
ligt bezaaid met hout en andere brokstukken, die de klauwende golven van de zee
ternauwernood hebben overleefd. “Jippie!”, roept Jobbe enthousiast
op en neer springend. “Het hele strand ligt vol”. Hé, wat
ligt daar?, dat lijkt wel een kist, denkt Jobbe. Hij roetsjt op zijn billen van
het duin naar beneden, rent op de kist af, probeert zijn vingers onder de deksel
te wurmen, krijgt hem niet open. “Ik weet het zeker. Dit is geen kist voor
dekens. Daar is hij te mooi voor. Deze kist ziet eruit als een schatkist.”
|
|