De Nachtzuster

Kwart voor een.

Een zoele nacht. We hebben vanwege haar werk voor de deur van het ziekenhuis afgesproken. Ze is verpleegkundige op de EHBO, draait nachtdiensten. Ze is lang en slank, op het magere af. Donkerblond, golvend haar tot iets boven haar schouders. Ze is allergisch voor licht en komt daarom rond de schemering pas echt tot leven.

“Ik had gedacht dat jij in en in wit zou zijn”, zeg ik nadat we ons aan elkaar hebben voorgesteld.

“Nee, ik heb een hoogtezon waar het ultraviolette licht, waar ik allergisch voor ben, niet in zit. Je weet wel, dat paarse licht in een regenboog. Vandaar dit kleurtje”.

“Wat is nou het verschil tussen zonne- en licht-allergie?”

“Zonne-allergie heb je wanneer je huid minder goed tegen de felle zon kan. Je krijgt dan als reactie bijvoorbeeld bultjes op je arm. Daar haal je bij je huisarts een crèmepje voor. Voor licht zijn maar zo’n tweehonderd mensen in Nederland allergisch. Van die tweehonderd zitten er drie in mijn familie. Mijn jongere zus, mijn eeneiige tweelingzus en ik. Eigenlijk is het een stofwisselingsziekte, die op den duur je lever totaal verpest. Tien minuten UV-straling is al funest. Ik heb trouwens vier zussen, de oudste twee hebben nergens last van”.

“Maar het is toch erfelijk?”

“Ja zeker. Mijn moeder bleek voor vijfentwintig procent draagster, al had ze er zelf geen last van. Voor ons bestaat even grote kans het door te geven aan onze kinderen. Toen mijn tweelingzus en ik klein waren, dacht iedereen dat we huilbaby’s waren. Mijn moeder liet ons natuurlijk zo veel mogelijk buiten spelen. Lekker in het zonnetje. Het werd: ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Op ons negende is het ontdekt. Mijn jongere zusje vertoonde later dezelfde reacties, maar toen was een diagnose snel gesteld”.

“Slik je medicijnen, ben je op een speciaal dieet?”

“Nee”, zegt ze lachend. “Dit magere is gewoon mijn bouw”.

“Heb je vanwege je ziekenhuis-verleden voor dit beroep gekozen?”

“Nee joh, ik wilde iets sociaals doen. Die nachtdiensten komen natuurlijk wel goed uit. Mijn tweelingzus is operazangeres, de jongste danst. Allemaal beroepen, die je vooral ’s avonds uitvoert en binnen uitoefent”.

“Je blijft er erg vrolijk onder”.

“Waarom niet? Ik ben eraan gewend, heb er mijn leven op ingedeeld. Tijdens mijn studie werkte ik drie avonden per week in een disco, kon ik meteen door de les in. De EHBO-afdeling hier heeft geen ramen, dat is ideaal. Maar terwijl iedereen zich opmaakt voor de zomer en steeds meer naar buiten gaat, blijf ik juist meer binnen. Dat vind ik soms wel moeilijk, dan bel ik nog vaker met mijn tweelingzus. We zitten tenslotte in hetzelfde schuitje”.

“Hoe ging dat dan eigenlijk op school?”

“De gordijnen moesten altijd dicht. Mensen moesten zich echt aan ons aanpassen. Meestal gebeurde dat wel, hadden ze er begrip voor. En was het wel eens anders, dan ging ik gewoon naar huis”.

“Ziet jouw huis er anders uit dan gemiddeld?”

“Ik ben op zoek. Mijn relatie is net voorbij. Maar normaal heb ik een gewoon huis. Bij mij zijn alleen altijd de gordijnen dicht. Op mijn autoruiten zit speciaal folie, maar dat is waanzinnig duur. Je bent zo tweeduizend euro kwijt. Enne… van mijn salaris. Verpleegkundige hè, dus het kan nog wel even duren voor ik de ramen van mijn huis beplak. Ik moet sowieso eerst een huis”.

“En je verzekering dan?”

“Ik krijg benzinegeld. Een vergoeding van honderd euro per maand. Ik doe namelijk alles met de auto. Ik heb ook een invalidenkaart. Volgens mij ken ik alle invalide-parkeerplekken in de stad uit mijn hoofd. Ik parkeer mijn auto, ren naar binnen. Eruit en erin”.

“Ga jij eigenlijk wel eens op vakantie? Ik bedoel, het wordt zomer, straks ligt iedereen hutje mutje naast elkaar op het strand, dat maak jij niet mee. Al weet ik niet of je dat nou erg moet vinden?”

“Ik ken het strand wel hoor. In de winter, ’s avonds of bij slecht weer. Maar ik heb er niet echt iets mee. Ik mijd liever plekken waar ik toch niet heen kan. Ik ga wel op wintersport, skiën. Helemaal ingepakt, van top tot teen. Ik draag ook een speciaal masker. Het is van kunststof en eigenlijk ontwikkeld voor snowboarders, maar het komt mij goed van pas. Ik kan er makkelijk door ademen hoor, er zitten hele kleine gaatjes in, maar de UV-straling wordt tegengehouden”.

“Enne… zelf kinderen, denk je daar wel eens aan?”

“Dat wil ik mijn kind eigenlijk niet aandoen. Ik ben drager, wat als mijn kind het niet erft? Ik kan het dan nooit zelf naar school brengen, nooit zelf mee naar buiten om te spelen. Dagelijkse dingen zijn voor mij ondoenlijk. Maar zoals ik al eerder zei, het is niet aan de orde, ik kan het weer even voor me uitschuiven, mijn relatie is immers net voorbij”.

Half twee, ze wordt opgehaald door een goede vriendin. Ze gaan stappen, de nacht is nog jong. In ieder geval voor hen.

© Paula Udondek. Oorspronkelijk verschenen in de Haagsche en Goudsche Courant, 2004/2005.