Vijf voor een.
Zo’n middag waarop iedereen in een t-shirt loopt, maar ik het gewoon koud heb en onder mijn jas een dik vest draag. Ik voel me een beetje daas, omdat ik net aan een antibioticakuur ben begonnen. Misschien heb ik het daarom koud.
Na mijn zangles, die in elk geval in mijn eigen oren verre van briljant klonk, maak ik mijn fiets los van het hek.
“Hé hoe gaat het met je?”, zegt een stem achter mij.
“Goed”, antwoord ik terwijl ik me omdraai. Een standaard antwoord eruit geflapt zonder er bij na te denken.
“Ik heb vanavond een expositie”, vervolgt de stem, die toebehoort aan een man. Een dertiger. Terwijl zijn mond zinnen vormt, pijnig ik mijn hersens om te achterhalen wie hij is. Hij komt me niet onbekend voor, maar het kwartje wil niet vallen. En ik verkeer tenslotte vanwege de antibiotica in een gedrogeerde staat. Hij heeft kort, donkerblond haar en zal zo’n een meter vijfentachtig lang zijn. Hij draagt een donkerblauw colbert-achtig jasje boven een spijkerbroek. Hij maakt een wat morsige, verstrooide indruk (maar goed, zoals ik hierboven al beschreef, kon dat opgeroepen beeld ook aan mijn eigen gemoedstoestand liggen).
“Op het Spuiplein”, zegt hij. “Van negen tot twaalf”. En terwijl hij de lucht inspecteert: “Het is buiten, dus ik hoop dat het droog blijft. Kom jij ook?”
“Wat ga je dan precies doen?”, vraag ik. Ik probeer tijd te rekken. Een expositie, denk ik, dan moet hij een kunstenaar zijn. Gewoon wat meer vragen stellen, dan ontdek ik vanzelf wel wie hij is. “Schilderijen ten toon stellen of zo?”, vraag ik.
“Ik zal het je laten zien”, zegt hij terwijl hij een A-viertje uit zijn linkerbinnenzak vist. “Hier”. Hij vouwt het met blauwe pen volgetekende vel uit. Vanuit het blauw doemen verschillende gezichten en korte teksten op. “Dit is het concept voor een placemat. Hier heb ik jaren aan gewerkt. Kijk, hier op de voorkant, staat dan het ontwerp van een kunstenaar. Het is de bedoeling dat het gebruikt gaat worden in restaurants. Op de achterkant, hier rechtsonder, is een uitsparing, daar kan dan de naam van een sponsor komen te staan. En dan wil ik hier nog een rijtje met andere kunstuitingen van zo’n kunstenaar. Dat je weet wat hij/zij nog meer heeft gemaakt en waar je dat werk kunt vinden. En daar links wil ik…”
“Kunstkop”, zeg ik. “Ja, dat is hier een onderdeel van”.
“Jij bent van de Kunstkop! De afbeelding van een kunstwerk op een mok. Je hebt je haar geknipt. Ik herkende je niet meteen. Hoe gaat het met de ‘Koppen’?”
Hij glimlacht: “Daar ben ik nog steeds mee bezig. Die kunstkoppen horen hier ook bij. Ik hoop dat de expositie vanavond een succes wordt, want dan kan die mok ook meteen in productie. Oh, wacht even…”
Een driehoekig kartonnetje waait uit zijn handen. Hij haast zich om het op te rapen.
“Dat heb ik nodig voor vanavond”, zegt hij. “De dress-code is namelijk gemaskerd. En waar maak je nu eenvoudiger een masker van dan van dit?”
“Inderdaad”, zeg ik. “Je knipt er twee rondjes uit voor je ogen, een elastiekje eraan en voilà, je bent klaar”.
“Zonde om weg te gooien toch?”
Eerlijk gezegd dacht ik eigenlijk dat hij net een pizza-slice naar binnen had gewerkt en nog op zoek was naar een vuilnisbak.
Omdat ik naar de drogist moet, loopt hij een stukje met me op. “Oh ja”, zegt hij. “Dat wilde ik je nog vertellen, er komt ook een agenda op de placemats. Dan weet je via zo’n placemat wat er te doen is in de stad: ‘op die avond kun je daar en daar dansen’, zoiets. De slagroom op het toetje eigenlijk. Ik vind jou veel beter trouwens. Hoe zal ik het zeggen; natuurlijker”.
“Hoe bedoel je?”
“Gisteren zag ik op de televisie je programma”.
“‘Over Water’ bij RTV-West?”, vraag ik.
“Nee, dat bedoel ik niet. Dat andere met die Knoop, met die mensen. Daar zit ik ook steeds over te denken hoor, of ik jou niet kan helpen. Ik schilder portretten”.
“Dat weet ik”, zeg ik. “Mooie portretten”.
“Nou, ik dacht, misschien kan ik die mensen wel natekenen in de studio. Misschien kun je daar wat mee”.
“Ik zal het in de groep gooien. In mijn eentje ga ik daar niet over. Maar misschien vindt de projectmanager van ‘Knoop in je Zakdoek’ het wel een fantastisch idee. Je weet nooit”.
“Er komen vanavond op de expositie ook dansers, dichters en performers. Het wordt echt leuk. Kom je?”
“Ik weet het nog niet. Ik hoop in elk geval dat het droog blijft en dat de expositie goed verloopt”.
“Ik had al wat informatie door je brievenbus willen doen, maar ik was het huisnummer vergeten”.
“We komen elkaar vast weer tegen”, zeg ik, “maar dit is het nummer”.
Ik heb de expositie gemist. Na het innemen van mijn ‘avond-dosis’ (antibiotica) viel ik als een blok in slaap.
© Paula Udondek. Oorspronkelijk verschenen in de Haagsche en Goudsche Courant, 2004/2005.
