Vijf over half negen.
Een heldere avond. “Hoi Paula, met mij”, zegt ze. “Wat me nu is overkomen: ik laat de honden uit in de duinen. Op dat brede pad vlakbij het strand, dat ken je wel, word ik ineens gepasseerd door drie joggers. Niks bijzonders denk je misschien, gebeurt wel vaker. Maar luister, dit was anders. Ze stoppen om hun oefeningen te doen. Een van die drie weekt zich los uit het clubje, komt mijn kant op. Hé hallo, zegt hij. Hoe is het? Hij zoent me drie keer. Ik durf te zweren dat ik die man nog nooit van mijn leven gezien heb, maar…”
“Laat jij je zomaar laten zoenen door een vreemde vent?”
“Ja, kennelijk wel. Best raar hè?”, antwoordt ze. “Maar het leek zo vertrouwd. Hij wist van alles over me. Ik bedoel, hij vroeg hoe het met de hond ging. Je weet wel, die kleinste van mij. Hij wist dat ze een ontsteking aan haar maag had gehad”.
“Ik vind het ‘creepy’”, zeg ik. “Weet je zeker dat je die man niet eerder gezien hebt?” Mijn vriendin woont vlak bij de duinen, dus het lijkt mij logisch, dat ze hem daar van kent en het zich gewoon niet meer kan herinneren.
“Nee”, zegt ze, “niet dat ik weet. Maar er is in elk geval interesse van zijn kant, zoveel is zeker”.
“En wat nu?”, vraag ik.
“Ik kom hem vast wel weer tegen. Dat moet wel als het zo goed voelt. Het is echt een knappe man hoor. Lang, slank, atletisch gebouwd en ik denk dat hij half lang donkerbruin haar heeft. Maar dat weet ik niet zeker, want hij droeg een muts”.
“Heeft hij ook een naam?”
“Heb ik niet gevraagd”.
“Waarom niet?”
“Vond ik stom. Wat als ik hem wel eerder ontmoet heb?”
“En je zegt net, dat je zeker weet, dat je hem nog nooit eerder hebt gezien”.
“Wat is zeker?”, zegt ze. “Het is een knappe man, dat is zeker. Het lijkt me dus onwaarschijnlijk, dat ik me hem niet meer zou kunnen herinneren”.
“Ik wil niet zeiken”, zeg ik fijntjes. “Maar jij hebt toch problemen met je korte termijn-geheugen?”
“Klopt”.
“Zou het dat dan niet kunnen zijn? Ik heb je wel vaker zo’n situatie zien omzeilen”. Mijn vriendin heeft moeite met het onthouden van gezichten en namen. Ze onthoudt specifieke kenmerken. Iemand moet iets opvallends hebben. Meestal uit dat opvallende aspect zich voor haar in iemands gedrag. De manier waarop bijvoorbeeld iemand loopt. Nu het kan zo zijn, dat een vreemde met dezelfde ‘loop’ haar geheugen ’triggert’ en ze daardoor denkt deze persoon te kennen. Mij heeft ze tot nog toe altijd herkend.
“Ja, dat is waar”, zegt ze. “Maar dit lijkt me anders. Iemand die er zo uitziet vergeet je niet”.
Dit gesprek hadden we nog geen week geleden.
Deze vriendin van mij loopt tegen de vijftig. Ze is Indisch en alweer een hele tijd single. Ze heeft geen kinderen en heeft daar voor zover ik weet ook nooit behoefte aan gehad. Ze is geen mannenhaatster, maar komt zoals ze zelf zegt, nooit eens een ‘leuke’ tegen. Althans niet leuk genoeg om een relatie mee te beginnen. Wel leuk genoeg om mee bevriend te zijn. Ze heeft veel vrienden.
“Hallo met Paula”, zeg ik terwijl ik de telefoon opneem. Het is dezelfde vriendin.
“Heb je even tijd om te kletsen?”
“Natuurlijk”. Ik zet het geluid van de televisie uit. Mijn zoontje ligt te slapen, mijn vriend is aan het sporten en ik heb me net door het achtuur-journaal onder laten dompelen in alle ellende van de wereld. Ik heb wel zin in een leuk gesprek.
“Een en al oor”, zeg ik. “Barst maar los”.
“Weet je nog van die leuke man waar ik vorige keer over vertelde?”
“Ja. Die ene keer in de honderd jaar, dat jij een leuke man ziet onthoud ik wel. Heb je hem weer ontmoet?”
“Ja en nee”, zegt ze.
“Hoe bedoel je?”
“Het is een stom verhaal, maar je mag best lachen hoor. Ik ben op bezoek bij een vriendin, die tandartsassistente, die tegenover het bos woont”.
“Ja”, zeg ik. “Ik weet wie je bedoelt”.
“Nou, ik ga eigenlijk net zo met haar man om als ik omga met jouw vriend. We zeggen elkaar gedag als we elkaar zien. Dat werk. Nu was ik daar, omdat ik informatie wilde over het bleken van tanden. Dat kan in een badje van waterstofperoxide. Maar dat moet je maandelijks herhalen en het lijkt me niet goed voor je lijf. Ik dwaal af. Ik zit daar op de bank, haar man komt binnen”.
“Ja?”
“Dat was dezelfde man van het joggen, die knappe! Wat een domper, eindelijk een leuke vent, ken ik hem al”.
“De man van je vriendin? Misschien moet je volgende keer toch zeggen, dat je korte-termijn-geheugen slecht werkt”.
“Misschien”, zegt ze. Maar ik weet zeker, dat ze liever met een stoïcijn gezicht refereert aan een ‘vorig’ gesprek, dan toegeeft dat ze lijdt aan een klein ‘gebrek’.
© Paula Udondek. Oorspronkelijk verschenen in de Haagsche en Goudsche Courant, 2004/2005.
