Kwart voor zes.
De zon schijnt nog volop. “Wat leuk dat ik je zie Paula. Laat me je even een hand geven. Ik kijk zo graag naar dat programma met die kinderen”.
Kinderen, denk ik, ik presenteer al jaren geen kinderprogramma meer. Wanneer ik haar dat wil zeggen, hoor ik: “Die gehandicapten. Zo leuk. Veel leuker dan dat spel wat je deed. Dat was ook leuk, maar veel gewoner. Hoe is het eigenlijk met je eigen kind? Is het een jongen of een meisje?”
“Een jongen”, zeg ik tegen het kleine vrouwtje naast me. Ze komt nauwelijks tot mijn schouder. Ik denk dat ze ergens in de zestig is. Ze draagt haar grijze haar in een staartje, heeft een rond brilletje op haar neus en is ’s zomers gekleed. Een licht jasje, een broek van dunne stof en blauwe instappers aan haar voeten. In haar oren, kleine ringetjes met diamantjes, in haar hand een rode plastic tas.
“Hier kan alles in”, zegt ze. “Ik draag nooit een handtas. Ik loop ook nooit langs een portiek, want ze trekken daar zo je tas naar binnen. Ik ga wat later op de avond ook liever niet meer met de tram of de bus, want je wordt toch lastig gevallen. Gelukkig niet zo vaak, maar het gebeurt wel. Nee, dan voel ik me niet veilig. Als ik hier de straat uitloop en ik ga daar linksaf, dan kom ik toch bij een Indisch restaurant?”
“Ja, in die straat zitten er meerderen”.
“Ik ga daar eten met een buurman uit mijn flat. Hij heeft me uitgenodigd. Ik houd me maar een beetje met de buren bezig. Ik bedoel, een ouder echtpaar uit mijn flat ging naar zo’n verzorgingstehuis. Dat is ook niet alles hoor. Echt niet gezellig. Die man is nu eenennegentig en rookt als een ketter, maar ja, op die leeftijd kan je het niet meer verbieden hè? Ook al is het vreselijk ongezond. Zijn vrouw is nog niet zo lang geleden overleden. Ze zaten daar samen. Zij is een keer heel erg gevallen, d’r schouder en d’r arm gebroken, daarna ging het alleen nog maar bergafwaarts. Alsof ze maar gewoon niet meer beter moest worden. Dat je in zo’n tehuis zit om dood te gaan. Hij heeft nu eigenlijk niemand meer. Hij vereenzaamt, dus ik ga langs, kan ik toch nog wat doen. Hij belt op maandag al om te vragen wanneer ik kom. Ik ga altijd op woensdag, maar hij vergeet vaak welke dag het is. En dan zeg ik, het is vandaag de hele dag maandag, nog de hele dag. Deze woensdag kan ik niet. Ik word geholpen aan mijn spatader. En anders zit je er ook bij alsof je de hele tijd naar de wc moet. Dat is natuurlijk niets. Ik kom net van de apotheek. Leuk dat ik je hier zie. Woon je in de buurt? Hoe is het met je kindje? Was het nou een jongen of een meisje?”
“Een jongen”.
“Ja, ik heb je zo lang zwanger op tv gezien. Dan leef je toch helemaal mee”.
“Heeft u zelf kinderen?”
“Nee, ook nooit getrouwd geweest. Wel twee keer een vriend gehad. Echt leuke mannen hoor, maar het is niets geworden. Die laatste was een heel aardige weduwnaar, maar die was zo vriendelijk, die hebben ze gepakt”.
“Hoe bedoel je?”
“Een sekte. Ik ben nog wel eens op bezoek geweest. Zijn zus vertelde me, dat hij zijn huis op naam van de sekte heeft laten zetten. Nee, mij wilde ze daar niet, ik heb geen geld. Ik zie hem eigenlijk nooit meer. Een lieve man. Ik heb vroeger wel gewerkt met kinderen. In totaal vier jaar, een gouden tijd. De Holland-Amerika lijn, ken je die? Wel eens van gehoord? Op aanraden van een vriend ging ik daar solliciteren. Die man zei, je woont in Den Haag, dat is vlak bij Rotterdam. Ik kom oorspronkelijk uit het Zuiden, uit Limburg. Kun je dat horen? Ik ben hier gekomen, omdat mijn tweelingzusje in Delft ging wonen enne… Den Haag is lekker dichtbij. Ik wilde stewardess worden op zo’n cruiseschip, maar daar hadden ze me niet voor nodig. Ze vroegen of ik op de kinderen wilde passen. Kinderen van nul tot twaalf, van al die mensen die met zo’n cruise meegingen. Bonjour mademoiselle; où êtes-vous? Omdat ik mijn talen sprak, Engels, Duits en een beetje Frans. Het was geweldig, ik heb de hele wereld gezien. Ik werd onderofficier, kun je het je voorstellen?! Dat was natuurlijk, omdat ik alleen moest werken. Zelfstandig. Verantwoordelijk voor mijn eigen afdeling zal ik maar zeggen. Ik droeg een wit uniform. Zo’n rechte witte jurk, met grote zakken aan de voorkant en witte schoenen. Net een zuster. Alles moest er heel schoon en wit uitzien. Nou, ik heb heel wat envelopjes gekregen hoor. Enveloppen met geld van gasten, omdat ze zo tevreden waren. Ja, dat waren gouden tijden. Dat is nu niet meer. Leuk je te zien. Ik ga. Mijn etentje enne… lopen is goed voor mijn spatader”.
© Paula Udondek. Oorspronkelijk verschenen in de Haagsche en Goudsche Courant, 2004/2005.
