Een Oorlogskind

Kwart over drie.

Een zonnige middag, 5 mei. Ik weet niet hoeveel mensen dit weten, maar ik ben Nederlands/Nigeriaans. Nederlandse moeder uit Poeldijk en een vader uit Ikot Akpatek, een dorp in het gebied Riverstate in het zuiden van Nigeria. Mijn vader studeerde in Leiden, een master in Landbouwtechnologie, mijn moeder werkte daar op kantoor, administratie. Hij vergat een keer zijn hoed. Zij rende achter hem aan en van het een kwam het ander. Ze trouwden, mijn moeder ging mee terug naar Nigeria en ze woonden in Lagos. In die tijd nog de hoofdstad. Ik heb het over de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeu

Op een dag als vandaag en gisteren denk ik even extra aan hen.

Mijn moeder werd op 4 juli 1941 tijdens de 2de Wereldoorlog geboren in Poeldijk. Zij herinnerde zich van de oorlog vooral dat ze als klein meisje niet alleen buiten mocht spelen, omdat mijn opa en oma bang waren dat ze op een of andere manier, hoe klein ze toen ook nog was, zou verraden dat ze mensen verborgen hielden op zolder.

Ook ik ben geboren in een periode van oorlog. In februari 1967. Nou ja, om wat preciezer te zijn, drie maanden voor hij uitbrak. De Biafra-oorlog, ook wel bekend als de Nigeriaanse burgeroorlog, die van 1967 tot 1970 duurde.

Etnisch geweld, genocide en een enorme hongersnood in Biafra leidden tot de dood van zo’n 1 tot 3 miljoen burgers. De wat oudere mensen herinneren zich misschien nog wel de beelden van hongerende Afrikanen. Afrikaanse kinderen met ‘Biafra-buikjes’ op televisie. Biafra wilde een onafhankelijke staat zijn, Republiek Biafra, en dat pikte de centrale militaire regering van Nigeria niet.

Het leger bombardeerde destijds doelbewust markten, ziekenhuizen en andere burgerdoelen. Nadat de hoofdstad van Biafra was gevallen vluchtten veel van de bewoners de bossen en velden in. De staat was omsingeld. Groot probleem was dat Nigeria het Rode Kruis alleen toestond medicijnen naar Biafra te brengen en géén voedsel. Hierdoor brak een hongersnood uit, veel critici hielden het Rode Kruis hier mede voor verantwoordelijk.

Mijn vader werkte in die tijd voor de Nigeriaanse versie van het Rode Kruis, die met de rode halve maan, en mijn moeder voor het Comité International Genève, die met het rode kruis dus.

In mijn 1ste Nigeriaanse paspoort staat dat ik op 6 juli 1968 voor het eerst naar Nederland kwam, samen met mijn moeder en mijn 4 jaar oudere zus. Op familiebezoek. De kosten voor het visum: 7 gulden 50. Geldig tot 31 augustus.

1 september 1968 was ik weer terug in Nigeria.

Maar nadat ons huis in Lagos was gebombardeerd en mijn vaders naam op een zogenaamde dodenlijst verscheen, besloten mijn ouders nu toch te vluchten. Eigenlijk wilden ze naar Zuid-Afrika, maar daar heerste nog apartheid. Hadden we allemaal in een andere bus gemoeten. Zie je het voor je? Zwart, Wit en gemixt. Australië zagen ze ook wel zitten, maar ze hadden niemand die daar garant voor hen kon staan.

Mijn moeder wilde graag terug naar Nederland. Met een van de laatste vliegtuigen vertrokken we. En mijn broer en zus uit een eerder huwelijk van mijn vader waren al in Nederland. Zaten daar op kostschool en woonden bij mijn Poeldijkse opa en oma.

In datzelfde Nigeriaanse paspoort staat: aangemeld in Monster op 5 mei 1969.

De Biafra-oorlog, ook wel bekend als de Nigeriaanse burgeroorlog, die van 1967 tot 1970 duurde. Het omsingelen van de staat door het centrale Nigeriaanse leger in combinatie met de hongersnood betekende de overgave van Biafra en een einde aan de republiek.

Mijn moeder wilde niet meer terug, ze vond tien jaar Nigeria, waarvan de laatste twee gedomineerd werden door oorlog, meer dan ze aan kon. Binnen vijf jaar waren mijn ouders gescheiden en een aantal jaren daarna vertrok alleen mijn vader. Terug, naar Lagos, Nigeria.

Ik heb nog een klein groen mapje met daarop het nummer D 067281, een vergunning tot verblijf, uitgegeven door het Ministerie van Justitie, Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken en Grensbewaking van het Koninkrijk der Nederlanden. Doel: verblijf bij moeder. Datum: 22 juni 1972.

Eigenlijk vertelde ik mijn eigen verhaal ter inleiding van het volgende, een column ooit geschreven voor De Haagsche en Goudsche Courant. Ik schreef destijds wekelijks over de mensen die ik ontmoette en waarmee ik in gesprek ging. Dit verhaal verscheen toen op 6 mei in de kranten.

Half twaalf.

Een druilerige ochtend. We zitten aan de keukentafel. Voorzien van koffie en hazelnoot gebak. We praten over vroeger, over de oorlog. Hij praat, ik luister, soms vraag ik wat. Hij is vijfenzestig, had een Hollandse vader, een Indische moeder en werd geboren op Java.

“We waren vijf, zes jaar oud, mijn broer en ik”, zegt hij. “Gelukkig nog klein genoeg om in het vrouwenkamp te mogen blijven. Het mannenkamp waar ze alle jonge en oude mannen in stopten, noemden we het dodenkamp. Per dag gingen daar tig mensen het hoekje om. De Jappen gaven ons corvee. De kinderen moesten de tuinen in, onkruid wieden en dergelijke. Ook mijn broer en ik. Mijn broer had toen al slechte ogen. Per ongeluk pakt hij een rups beet, zo’n dikke met een wollige rug. Ik weet niet wat hij dacht dat het was. Hij zat meteen onder de grote rode bulten. Een allergische reactie. Een Japanse soldaat pakt hem beet en duwt hem zo met zijn gezicht in de ongebluste kalk. De ongebluste kalk, een jongetje van vijf! Zo met zijn kop erin. Hij is maanden stekeblind geweest. Het was beroerd in dat kamp. Hij heeft later altijd met van die dikke ‘jampot-glazen’ moeten lopen.

In de regentijd vielen de rijpe vruchten van de bomen. Ze waren dan op z’n lekkerst. Natuurlijk mochten we die niet zo maar opeten, maar we probeerden het toch. We vochten echt met elkaar om zo’n vrucht te bemachtigen. Triest toch, kinderen die vechten om een vrucht. Een vriendje van mij dacht het slim aan te pakken. Hij klom de boom in. De stam was bedekt met mos, dus hartstikke glad. Hij viel naar beneden. Niet zomaar. Was hij maar gewoon gevallen. Hij viel op een hek. Een ijzeren hek met punten. Twee punten staken dwars door hem heen. Gespietst. Hij is overleden. Paula, dat vergeet je nooit meer.

We sliepen in barakken op een soort van brits. Door de openingen in het dak vielen de muizen en de slangen gewoon naar binnen. Mijn moeder ging zo vaak mogelijk ‘uit stelen’, rijpe vruchten ‘pikken’ of grote lijnkoeken. Die waren eigenlijk bedoeld als voer voor de paarden en de koeien. Mijn moeder kookte ze met water en maakte er voor ons pap van. Je moest toch wat binnen krijgen. We hadden een blik en daar bewaarde we het eten in. Met veel geluk, twee sneetjes brood. Mijn broer en ik moesten dat blik bewaken als moeder ‘uit stelen’ ging. Ik had ook nog een zusje. Ze werd geboren toen we het kamp in moesten. Het was haar beurt om het blik te bewaken. Ik stond maar aan d’r te sjorren, ze reageerde niet. Ze is vier jaar geworden. Wil je nog wat koffie?”

“Ja, graag”, zeg ik. En bedenk me hoe bizar het is dat we praten over honger en dood terwijl ik met een zilveren vorkje in mijn taartje prik.

“Dat bestek is nog van mijn ouders geweest. Die zilveren schaal ook.” Voor hem heeft het vooral sentimentele waarde, ik vind het gewoon mooi.

“Op een dag was ik hartstikke ziek, amoebedysenterie, zware diarree met wat slijm en bloed. Buiten moest je je behoefte doen boven een greppel met twee stokken voor je evenwicht. Maar ik haalde het niet, alles liep al. Mama kwam net aan, ze was ‘uit stelen’ geweest. Ze was niet boos, ze omarmde mij, gaf me een kus en zei dat ze een nieuwe hansop voor me zou regelen”. Zijn ogen zijn vochtig. “Mijn moeder hebben ze aan het einde van de oorlog op een brancard naar buiten moeten dragen. Ze was zo uitgemergeld, een zak botten, echt vel over been. Alles wat ze aan eten had ging naar de kinderen. Ze is toch nog tachtig jaar geworden. Mijn vader heeft de oorlog ook overleefd. Op Zuid-Java was hij een soort van stadswacht. Met anderhalve man en een paardenkop moest hij de boel verdedigen tegen de Japanse mariniers, dat werd helemaal niks. Voor de oorlog ging hij één keer in de viertien dagen naar de kapper. Deze kapper bleek een Japanse kolonel. Eigenlijk een topspion, die na de invasie opeens in vol tenue de kapperszaak uitstapte. Hij gaf mijn vader een hand en een slof sigaretten, daarna werd mijn vader afgevoerd. Alle krijgsgevangenen stopten ze in varkensmanden met een ovale vorm en punten voor en achter, zodat je geen kant uit kon. Een losse deksel bovenop. Die manden werden op een vrachtwagen geladen. Mijn pa viel met mand en al van de wagen. Hij was gewond, zat muurvast. Indonesiërs hebben hem eruit gehaald, verzorgd en te eten gegeven. Uiteindelijk lukte het hem in Sumatra te komen. Daar werd hij opgepikt door een marineschip. Een Nederlandse Jager van de ‘Combined Allied Forces’, dat waren de Engelsen, Australiërs en Nederlanders. In een prauwtje ging hij erheen. Hij is zesentachtig geworden…

Het was een rottijd, die oorlog in Indië. Een trauma dat blijft. Als lava kolkt het onder de oppervlakte, soms spuit het ineens omhoog”.

Vier, vijf mei: ‘Vrijheid is kiezen en delen!’ Het jaarthema voor de herdenkingen en vieringen in het jaar dat ik deze column schreef. Dit jaar is het “Vrijheid in verbondenheid”, omdat onze vrijheid onlosmakelijk is verbonden met de vrijheid van een ander.

© Paula Udondek. Oorspronkelijk verschenen in de Haagsche en Goudsche Courant, 2004/2005.