Kunstkop 1

Half elf.

Een mistige ochtend. Mijn uitlaatrondje met de hond zit erop, we zijn bijna thuis.

“Mag ik jou wat vragen?”

Aan de overkant van de straat staat een man. Ik schat hem achter in de dertig. Hij draagt zijn half-lange blonde haar in een paardenstaart en gaat gekleed in een grijze jas, die tot zijn kuiten komt. Op zijn rug: een zwarte versleten rugzak.

“Ja hoor”, zeg ik. “Wat wil je weten?”

“Ik heb je hulp nodig”.

“Waarvoor?”, vraag ik enigszins op mijn hoede. Het zal niet de eerste keer zijn, dat de een of andere onverlaat me voor zijn karretje en/of dubieus doel wil spannen.

“Ik laat het je even zien”. Hij zwaait zijn rugzak op de stoep, graaft een grote porseleinen beker omhoog en duwt hem triomfantelijk onder mijn neus. “Wat zie je?”, vraagt hij.

“Een mok?”, antwoord ik.

“Precies”, zegt hij. “Maar niet zo maar een mok, dit is een Kunstkop!”

“Een kunstkop?”, herhaal ik niet begrijpend.

“Je kent het Haagse bakkie?”

“Ja”.

“Nou, een Haags bakkie, staat voor een half leeg, of misschien zeg jij liever, een half vol kopje koffie. Het staat voor zuinigheid. Mee eens?”

“Ja”, zeg ik. “Mee eens”.

“Ik ben bezig met een kunstproject. Ik noem het Hollandse Kunstkoppen. De gedachte is, dat kunstenaars zich door middel van deze koppen profileren”.

“Hoe moet ik me dat dan precies voorstellen?”, vraag ik terwijl ik naar de crèmekleurige beker met onbestemde paarse vlek kijk.

Hij heeft duidelijk mijn blik gevolgd, want hij wijst nu naar de plek en zegt: “Dáár komt op ieder kopje een afbeelding van het werk van zo’n kunstenaar. Je presenteert dus eigenlijk jezelf én je kunst met zo’n kop. Ze moeten per stuk zevenendertig euro vijftig opleveren. Ik heb al één ondernemer gevonden, maar het is moeilijk voor een kunstenaar”.

“Dat hoor ik wel vaker”, zeg ik. “Maar ik snap nog steeds niet wat je nu van mij wilt”.

“Ja, dat weet ik zelf eigenlijk ook niet, maar ik dacht, dat jij misschien de presentatie kon doen”.

“Waar dan? Bij die ene investeerder?”, vraag ik.

“Tja, daar ben ik ook nog niet uit”.

Ik zucht eens diep, wat moet ik nou? Hij ziet er uit als een aardig iemand. Echt. “Het is niet dat ik bij voorbaat nee zeg, dat ik je niet wil helpen, maar hier kan ik niets mee”, vertel ik hem. Nog voor ik kan zeggen, dat het me allemaal te vaag is, onderbreekt hij me: “Heb je geen kaartje?”

“Ja, nee! Niet bij me, niet op zak. Ik laat gewoon de hond uit”.

Aan mijn hond heb ik allang gemerkt dat ze fan van de man is en vindt dat hij lekker ruikt.

“Hier woon ik”, zeg ik terwijl ik uit alle macht de hond bij hem wegtrek en haar naar de voordeur sleur. “Als je je plan beter uitgewerkt hebt, dan gooi je maar een briefje door de bus”.

“Ik ben al zo lang bezig”, zegt hij. “Je hebt geen idéé”.

“Dan zal het uiteindelijk wel concreet worden?”, probeer ik. Ik suggereer hem een kunstenaarscollectief, dat zich veel met ‘het Haagse’ bezig houdt. “Misschien is dat iets voor je”.

Kennelijk niet. Uit zijn reactie maak ik op dat dát contact vroeger ooit is gelegd, maar nooit succesvol is gebleken. Ik steek de sleutel in het slot wanneer hij uitroept: “Ik heb zelf een kaartje! Wacht even”. Hij duikt opnieuw in zijn rugzak. Mijn hond ziet in het door de knieën gaan van de kunstenaar de ultieme uitnodiging tot aflebberen. “Geeft niks”, zegt hij. “Ik hou van honden”. Inmiddels heeft hij zijn portemonnee te pakken, hij recht zijn rug: “Hier mijn kaartje!”

“Wil je nu dat ik jou bel?”, vraag ik ongelovig. “Jij moet je project toch op de rails krijgen?”

“Ik maak ook portretten. Misschien wil je wel een keer een portret?” Hij steekt zijn hand op als teken van afscheid.

Ik sluit de voordeur. Een beetje verbouwereerd laat ik zijn kaartje aan mijn vriend zien. Nog voor ik het hele verhaal verteld heb, zegt hij: “Die ken ik. Hij heeft een lange blonde staart?”

“Ja”.

“Volgens mij heeft hij ook een kind, een dochtertje. Ik zie hem vaak lopen door de straat. Hij heeft mij vroeger ooit getekend in een café en was daar toen een aardige tijd mee bezig.”

“Ja, hij doet portretten”, zeg ik.

“Eigenlijk wel grappig, als ik hem nu tegenkom herkent hij me niet. Hij probeerde me een boekje te verkopen”.

“Vast een eerder project waar hij mee bezig was”, zeg ik.

“Luister nou even, ik probeer je wat te vertellen. Dat boekje wilde ik niet, maar ik zie dus dat hij mijn portret heeft gemaakt. Dat had ik eerst helemaal niet door. Best goed trouwens. Ik hem tien euro gegeven of zo”.

“Voor je portret?”

“Nee, dat heb ik niet genomen. Zomaar, ik vond het gewoon een aardige vent, denk ik”.

“Ik ook”, zeg ik. “Zou het hem helpen als ik een column over hem schrijf?

© Paula Udondek. Oorspronkelijk verschenen in de Haagsche en Goudsche Courant, 2004/2005.